Joodse mensen binden de woorden van God letterlijk op hun lichaam. Ze doen dat met gebedsriemen. Dat zijn dunne zwarte riemen met daaraan een zwart doosje. In dat doosje zit een stukje perkament met daarop een stuk tekst uit de Thora. Eén van de doosjes binden ze op hun voorhoofd en één op hun linker bovenarm.
Op het hoofd om aan te geven dat je altijd aan de woorden uit Bijbel wil denken. Op je bovenarm om te laten zien dat je wilt doen wat er in de Bijbel staat. Want daar zitten je spierballen! En waarom dan op de linkerarm, en niet de rechter? Dat komt omdat je hart aan de linkerkant zit. En daarmee geven ze aan dat ze God met hun hele hart willen dienen.
Joodse mensen bidden drie keer per dag: het ochtendgebed, het middaggebed en het avondgebed. Tijdens het ochtendgebed dragen ze de gebedsriemen. Verder dragen ze tijdens het bidden nog een gebedsmantel en een keppeltje. Het keppeltje geeft aan dat God boven hen staat, net zoals het keppeltje boven hen is. De mantel geeft aan dat God heel dicht bij hen is.
Extra informatie
Het huisje op het voorhoofd bestaat uit vier hokjes met in elk hokje één bijbelgedeelte. Het doosje op de arm heeft één hokje met daarin een stuk perkament met vier bijbelgedeelten.
Het zijn de volgende vier bijbelgedeelten:
-
Exodus 13:1-10
-
Exodus 13:11-16
-
Deuteronomium 6:4-9
-
Deuteronomium 11:13-21
De riemen worden alleen op werkdagen gedragen, dus niet op de Shabbat of een feestdag.
Joodse jongens moeten de riemen dragen vanaf het moment dat ze bar-mitzwa (13 jaar) zijn.


